Kat in de tas

comments 7

Hoe hij me wakker maakt. Hoe hij op me wacht. Hoe hij zich tegen me aan vlijt. Hoe hij jankt als hij honger heeft. Hoe hij gaapt, krabt, likt en luiert. Als je verliefd kon zijn op dieren, dan was ik smoor op mijn kat. Vandaag is hij jarig. Het staat in zijn vaccinatieboekje. 23 mei 2008. Ik betwijfel of hij zich heel erg jarig voelt. Toen ik Lang zal hij leven inzette, stoof hij door het kattenluikje naar buiten en de slingers die ik gisteravond stiekem al had opgehangen lagen vanochtend op de vloer. Misschien vindt hij het niet leuk om ouder te worden. Omgerekend naar mensenjaren is hij nu tweeënvijftig. Voor het verjaardagsmaal is hij wel te paaien. Net z’n baasje. Hij eet gretig, zonder pauzes. Zelfs het blokje kaas is zonder kauwen weg. Dus geef ik hem nog een blokje. En daarna nog een. Omdat hij jarig is natuurlijk, maar ook omdat ik blij ben dat hij nog leeft. Niet zo lang geleden was hij namelijk voor heel even dood.

Het is zondagavond en ik fiets met wijn en oesters in mijn maag naar huis. Als ik bij het stoplicht sta te wachten en me opmaak voor het refrein, stopt de muziek. Een berichtje. Aan het geluid te horen komt het bericht van Facebook. Vaak kunnen Facebookberichten wachten, maar nu voelt het dringend. Ik open het gesprek. Het is mijn achterbuurvrouw. Of wij een kleine zwarte kat hebben met witte pootjes en een wit befje. ‘Ja!’, typ ik enthousiast. Maar dat weet ze toch? Of hij thuis is. ‘Weet ik niet’, stuur ik, ‘Ik ben er niet.’ Het duurt lang voordat mijn buurvrouw reageert. Ze blijft maar typen en telkens als ik denk dat ze nu toch onderhand wel een keer op enter moet gaan drukken, begint ze weer opnieuw met typen. Ik raak geïrriteerd en vloek. Op het moment dat ik de telefoon terug in mijn jaszak wil stoppen, dringt het tot me door: er is iets aan de hand.

En ja hoor. Een paar deuren verderop is een dode kat in de tuin gevonden. Een zwarte, met witte pootjes en een wit befje. Ineens ben ik blij dat ik op een racefiets zit. Nog geen vijf minuten later zwaai ik de poort open, gooi mijn fiets tegen de muur en begin als een bezetene de naam van de kat te roepen. Met trillende handen probeer ik ondertussen de achterdeur van het slot te halen. Zul je zien dat meneer gewoon languit op de bank ligt. Maar de bank is leeg. Ook op de groene stoel, die hij zich al enige tijd heeft toegeëigend, is geen kat te bekennen. Zijn etensbakje, denk ik. Of ik dat bakje nou uit de vaatwasser haal, er tegenaan knal met de stofzuiger of alleen al optil, meneer staat geheid binnen tien seconden aan mijn voeten. Terwijl ik met het bakje rammel, wissel ik zijn naam af met mijn befaamde lokgeluidjes. Het blijft stil. Geen gemiauw of geritsel. ‘Is ie er al?’ Mijn vriend stapt hijgend van zijn fiets. ‘Godverdomme nee!’, roep ik. ‘Ik snap er niks van. Meestal weet hij niet hoe snel hij bij de poort moet zijn als hij ons hoort aankomen.’ ‘Ik weet het. Dit is niks voor hem.’ Met grote passen loop ik rond. Ik til stoelen op, schuif wasmanden opzij en inspecteer ieder hoekje. En dan keihard schrikken als hij ineens achter een gordijn vandaan springt en heel hard ‘BOE!’ roept, denk ik. Gebeurde niet.

Na een half uur geven we het op. ‘Laten we maar naar de buren gaan’, zegt mijn vriend. ‘Ik durf niet’, antwoord ik. Hij pakt me vast en drukt zijn borst stevig tegen me aan. ‘Het komt goed, pop. Ik ben bij je.’ Nummer 24 lijkt hermetisch afgesloten. De rolluiken hangen voor het raam en ook de voordeur is dichtgerold. ‘Ik dacht dat we aan sociale controle voldoende hadden hier in de Muntel’, grap ik zenuwachtig. Mijn vriend belt aan. Er begint een hond te blaffen. Zou die hond…? De rolluiken komen in beweging en de deur wordt van het slot gedraaid. Een echte Bossche. Ze ziet er doorleefd uit. Alleen haar getoupeerde hoogblonde haar herinnert aan vroeger. ‘Ach gos, jullie komen voor de poes. Kom maar binnen, hoor. Ik heb hem in een boodschappentas gedaan.’ De tranen staan in mijn ogen. Een boodschappentas? ‘Ga jij maar’, zeg ik. Ik kan dit niet.’ Mijn vriend stapt naar binnen. Ik zak door mijn knieën en leun met mijn armen op de vensterbank van het naastgelegen huis. Mijn adem hapert. Ik hoor de buurvrouw en mijn vriend praten, maar kan niet horen wat ze zeggen. Laat het alsjeblieft niet waar zijn. Ik hoor voetstappen. ‘Heel veel sterkte’, ook voor je meisje.’ Ik laat de vensterbank los en zak in elkaar. ‘Nee, nee’, brul ik. Dit kan niet. Niet weer.’ De ogen van mijn vriend zijn nat. Brullend lopen we hand in hand naar huis. In zijn rechterhand draagt mijn vriend de gele boodschappentas met onze kat.

In mijn relatief korte leven ben ik al een paar dierbaren verloren. Die totale machteloosheid, dat gapende gat, die intense leegte. Ik haat de dood. De dood wint namelijk altijd. Ook nu voel ik me bestolen. Op zulke momenten is er maar één iemand wiens stem ik wil horen: die van mijn moeder. Omdat mijn handen nog steeds trillen leg ik de telefoon op bed en zet ik mijn moeder op de luidspreker. Terwijl zij mijn huilende woorden probeert te ontcijferen, hoor ik Jan vanuit de woonkamer mijn naam roepen. Of ik even wil komen kijken. ‘Nee ik wil niet naar onze dode kat komen kijken!’, schreeuw ik. ‘Ik weet het ook niet mam’, vervolg ik, ‘Ik kan gewoon niet zonder dat beestje, snap je?’ ‘Roos! Kom verdomme nou eens kijken!’ Mijn vriend staat in de deuropening. ‘Ik twijfel of het hem wel is.’ ‘Wát? Hoezo twijfel je? Heb je net niet goed gekeken dan?’ ‘Ja, nee. Ik weet het gewoon niet! Het ging ook zo snel.’ Noem me een slecht baasje, maar als ik voor de dode kat sta kan ik ook niet meteen met zekerheid zeggen of het nou de onze is of niet. Alsof je dan ineens niet meer weet hoe je eigen – fucking – kat eruitziet. ‘Pak er een foto bij!’, roep ik. ‘Op je telefoon staat er toch wel eentje?’ Na wat scrollen komt mijn vriend een foto tegen. ‘Nee, kijk. Dat witte loopt veel langer door. Ook heeft hij een zwart kinnetje, dat heeft deze niet. Of toch wel? Kijk jij nog eens.’ Dit getwijfel gaat ongeveer een half uur door. Dan besluiten we unaniem dat hij het niet is. ‘Dit is onze kat niet!’, schreeuwt mijn vriend om ons besluit nog wat kracht bij te zetten. ‘Maar waar is hij dan godverdomme?’ Uit pure frustratie trekt mijn vriend een fles rode wijn open. Met de dode kat op de keukentafel gaan wij in de tuin zitten wachten. Want ja, onze nachtbraker moet nu toch onderhand weleens thuiskomen zou je denken.

Het duurt een minuut of vijf. We horen hem tegelijk. De oermiauw noemen we het ook wel. Zo’n miauw die door merg en been gaat. Vanaf de schuur springt hij via het muurtje de tuin in. Ik kniel voor hem neer in het gras. Hij schrikt zich het apelazarus en trekt een sprintje naar de varens. Met grote passen loop ik naar hem toe, til hem op en geef hem kleine kusjes. Gewoon op zijn bek, want ik ben verliefd. Hij heet niet voor niets Prins.

Comments 7

  1. Marloezepoes 24 mei 2017

    Mooi geschreven lief! Ben meer dan blij om te lezen dat prins “charming” en jullie een happy ever after hebben! KUS

  2. Marria Wester 23 mei 2017

    Alle verhalen bundelen! Dan wordt het zeker een mooi boek. Moest aan Sjors denken! Snik…

  3. Baby basta poepscheet lolly 23 mei 2017

    Aaaaaaahhh baby!!!! Wat schrijf je mooi! In een ruk uit!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *